Ook als rubriek op de zaterdagse pagina Spiritualteit in de Leeuwarder Courant

.

dinsdag 25 november 2008

Wierookverbod

In de berichtgeving rond het rookverbod, verspreidde het ANP een paar dagen geleden een aardig bericht. Paus Urbanus staat bekend als de paus die het kortste kerkvorst was (hij overleed twaalf dagen na zijn verkiezing aan malaria) maar hij was in 1590 waarschijnlijk ook de eerste die een rookverbod in openbare ruimtes instelde. Een ieder die in de kerk tabak consumeerde, of dat nu pijp-, pruim- of snuiftabak was, liep de kans te worden geëxcommuniceerd.
Wanneer er een wierookverbod in de kerken komt, wilde een collega weten. Dat is een goede vraag. Ondenkbaar is zo’n verbod niet.

Deze zomer was er een bericht over een nieuw onderzoek naar de schadelijke gevolgen van wierook, dit keer van Amerikanen en Denen die tien jaar lang duizenden Chinezen volgden: dagelijks wierook verbranden, vergroot de kans op verschillende soorten kanker aan de luchtwegen. Zeker wanneer de gelovige ook nog rookt. Direct was er het immer snedige commentaar op allerlei internetfora: een rookverbod in de horeca? Dan ook een verbod op wierookverbranding in tempels en kerken.
Dat zo’n verbod niet zou sporen met de vrijheid van religie, hoeft niet per se een doorslaggevende overweging te zijn. Onlangs hoorde ik hoe een katholieke parochie het altaar wilde verplaatsen, zodat de priester eindelijk met zijn gezicht naar de gelovigen kon staan (al sinds het Tweede Vaticaanse concilie in de jaren zestig goed gebruik in de Rooms-Katholieke Kerk). Dit werd echter verboden. De reden: zo’n wijziging van het kerkinterieur was strijdig met het monumentale karakter van het gebouw en altaar.

Al jaren worden kerkgenootschappen geplaagd door onredelijke eisen van de brandweer. Opeens moeten er in monumentale kerken meer deuren, of deuren die eeuwen naar binnen opengingen, moeten eigenlijk naar buiten openslaan.
Twee jaar geleden woonde ik in het Karmelklooster in Drachten een misviering ter gelegenheid van Allerzielen bij. Een viering dus in de geest van de karmelietessen die in 1993 het klooster verlieten, dat sindsdien een bezinningscentrum is. Vlak voor de samenkomst zou beginnen, ging het brandalarm af.
Wat was er aan de hand? Jan en Ietje Hofstra, die de Karmel bestieren, hadden gezorgd dat het complex aan de brandveiligheidsvoorschriften voldeed. Overal in de lage kloosterruimtes kwamen dus rookmelders. En u begrijpt het al: de melders verdroegen de wierook, hoe geestelijk ook, niet. Dankzij de nieuwe voorschriften is het gebouw dus niet meer geschikt voor zijn oorspronkelijke functie.