Ook als rubriek op de zaterdagse pagina Spiritualteit in de Leeuwarder Courant

.

zaterdag 27 november 2010

Kortjakje

Het is vandaag bekendgemaakt, begrijp ik, want het was zonet zelfs nieuws op het NOS Journaal: voor het eerst staat ‘Hotel California’ van de Eagles op nummer 1 van de top 2000 die op Radio 2 weer aan het einde van het jaar wordt uitgezonden.
Je kunt er vergif op innemen dat er in evangelische kring over gesproken zal worden dat het toch wel een teken van de tijd is dat dit lied, dat een verkapte lofzang op de satanskerk is, nu op de eerste plaats staat. Dat is overigens niet mijn mening, zie hier een eerdere blog.

Toegegeven, ik heb zelf ook een liedje waarover ik een uitgesproken mening heb om de vaak niet gekende achtergrond ervan, en dat is ‘Kortjakje’. Ik werd daar gisteren weer bij bepaald toen ik in het Reformatorisch Dagblad een commentaar las over christelijke Kortjakjes.
De aanleiding was onder meer het congres ‘Gans anders’, vrijdag in Amersfoort, waarop de matheid van christenen ter sprake kwam. Door de weeks merk je heel weinig van ze, maar ’s zondags gaan ze wel braaf ter kerke, zo was de invulling van het RD van de hedendaagse Kortjakjes.

Wat mij betreft is het een ongelukkige vergelijking. Ik weet dat er meer exegeses bestaan van het lied ‘Kortjakje’, maar volgens mij is er slechts één juiste: Kortjakje is een prostituee die ’s zondags even braaf als huichelachtig naar de kerk gaat.
Het korte jakje spreekt al voor zich. ‘Ziek’ is een eufemisme voor de manier waarop deze vrouw haar geld verdient. Blijkbaar is ze bijzonder succesvol, want ze kan zich een bijbel met zilverbeslag veroorloven. En wie kan er wat van zeggen? Dan zou je toegeven dat je weet wat Kortjakje doet.

Ik ben benieuwd hoeveel van de mensen die met absolute zekerheid weten dat ‘Hotel California’ over de satanskerk gaat, het geen probleem vinden dat hun kinderen het uiterst bedenkelijke ‘Kortjakje’ zingen. Mijn verklaring te vergezocht? Nee, die van ‘Hotel California’ is sterk.

zaterdag 20 november 2010

Websites

Deze week verschenen de resultaten van een onderzoek naar websites van lokale kerken, uitgevoerd in opdracht van Kerknieuws.nl, de uitstekende kerknieuwssite van de IKON. Resultaat: een op de vier lokale kerken heeft nog geen eigen website.
Het aardige is dat niet alleen de ‘zware’ protestantse kerken, de zogenoemde zwartekousenkerken, vaak geen website hebben. Dat geldt ook voor kerkgenootschappen die op de linkerflank van het kerkelijk erf zitten, zoals de doopsgezinden.

Twee kerkgenootschappen hebben een dekking van maar liefst 100 procent: bij de Remonstrantse Broederschap en de Oud-Katholieke Kerk hebben alle plaatselijke gemeenten een website in de lucht. Die timmeren dus leuk aan de digitale snelweg.
Aan het einde van het bericht op de site van opdrachtgever Kerknieuws.nl staat dat het onderzoek mogelijk een aansporing kan zijn voor kerken om zich alsnog te manifesteren op het internet. ,,Want één ding is zeker: zonder site ben je als kerk onzichtbaar in deze samenleving.’’

Ik vraag me bij zo’n constatering af: hoe erg is dat eigenlijk als je als lokale kerk geen website hebt? En hoe erg is het dat als je wel een site hebt, die er niet gelikt uitziet? Ik zou wel eens willen weten hoeveel mensen van buiten de kerk nu echt iets doen met dit soort sites.
Neem nou de twee kerken met die dekking van 100 procent. Ze zijn niet vreselijk groot en ik geloof ook niet dat de gestage teruggang in ledental gestopt is doordat alle gemeenten online zijn. Ik geloof echt niet dat een kerk door een site zichtbaarder is in deze samenleving.

dinsdag 9 november 2010

Geschorst

In de LC hadden we gisteren een berichtje over een dominee die met onmiddellijke ingang is geschorst, omdat hij een buitenechtelijke relatie met een zuster der gemeente heeft. En onze krant was niet de enige. Zelfs het ANP schreef er over.
Het blijft worstelen met dit soort berichten. Wij noemden in de LC wel de zonde, maar niet de naam van de zondaar. Het Nederlands Dagblad meldde vanmorgen wel de naam en verder louter dat hij geschorst was op grond van artikel 79 en 80 van de kerkorde. Daar wordt van ,,grove zonden’’ gesproken.

Ik zeg niet dat dat slechter is. Ik merk alleen op dat ook daar geworsteld wordt met dit soort berichten. Maar met deze formulering kun je ook op je vingers natellen waar het over gaat, net zoals bij de oude formulering ,,zonde tegen het zevende gebod’’. Bovendien, als predikanten geschorst worden, dan gaat het in veruit de meeste gevallen om een vorm van misbruik in pastorale relaties.
Kranten mogen worden aangesproken op wat zij schrijven. Ik schreef vorige maand naar aanleiding van een soortgelijk geval al over deze problematiek en zei dat het ook voor kerken niet makkelijk is. Maar nu wil ik zwartepieten en het probleem leggen waar het hoort: bij de kerken. Met als grote vraag: waarom moet het eigenlijk aan de grote klok worden gehangen?

Waarom moeten gemeenteleden een brief over de zaak krijgen, waarom moet het uitgebreid worden toegelicht in een verklaring aan het begin van een kerkdienst die nog maanden op internet beluisterd kan worden? Beleg voor het trieste nieuws een gemeentevergadering, die echter wel nadrukkelijk besloten is.
Er is natuurlijk een reden voor deze handelwijze: kerken willen het graag goed doen. Er is in het verleden teveel met de mantel der liefde bedekt en nu wordt zeker in het geval van een seksuele misstap vrijwel onmiddellijk een tuchtprocedure in werking gezet waarop vaak al snel afzetting van de predikant volgt.

Maar wat een schade richt zo’n correcte kerkenraad aan. Zo’n man - of vrouw - wordt publiekelijk door de kerk aan de schandpaal genageld. Heel Nederland mag het weten. Ik begrijp niet waarom. Je zou de zondaar maar zijn. Of z’n partner, of z’n kind. Papa, en dus jij ook, als openbaar kunstbezit. Erg pastoraal.
Naar christenen die misstappen begaan, wordt kritisch gekeken. En terecht. Naar dominees die uit de bocht vliegen, wordt helemaal kritisch gekeken. En terecht. Maar enig mededogen is ook in dat geval op zijn plaats. En met alleen maar bidden voor de slachtoffers ben je er niet.

En over bidden gesproken, misschien vergiste de dienstdoende ouderling zich, maar in de afkondiging afgelopen zondag over de schorsing van de dominee werd wel gevraagd om gebed voor zijn gezin, maar niet voor de zondige dominee en de zuster in kwestie. Maar ik ben bang dat het geen vergissing was.
Als ik dit geklungel zie, vraag ik me ook ernstig af hoe zorgvuldig er gehandeld wordt vóór de zaak publiek gemaakt wordt. Is wel het uiterste geprobeerd om de situatie anders op te lossen? Ik ken een paar gevallen wat beter en dat maakt mij er niet echt gerust op.

Want, hebben kerkenraden en ook de dominees die de fout ingaan, wel enig besef van wat de consequenties zijn als je uit het ambt raakt? Het is natuurlijk heel goed dat je je zonde erkent en de consequenties aanvaardt, maar overzie je ook de gevolgen?
Ik ken zo een paar ex-predikanten die aan lager wal zijn geraakt. Want wat kan een dominee buiten de kerk worden? Taxichauffeur. Of dakloos. Dat zijn geen academische voorbeelden. Zodra de zondige ex-dominee uit het blikveld is verdwenen, wordt er opgelucht adem gehaald. Dat de man verkommert, tja. Het wordt hoog tijd voor een onderzoek naar hoe het ex-dominees vergaat.

En dan nog eens iets. Hoe komt het dat in veel gevallen de omgeving niet zag dat een dominee soms jaren bezig is geweest te verongelukken? Natuurlijk doet zo’n man of vrouw stiekem. Maar zegt het ook niet iets van het ontbreken van geestelijke fijngevoeligheid bij bijvoorbeeld kerkenraadsleden of collega’s die geregeld met hem of haar te maken hadden? Wordt er na het pijnlijke vertrek wel door de achterblijvers aan zelfonderzoek gedaan?

zaterdag 6 november 2010

Relikwieën

In de Karmel in Drachten, het oude klooster van de ongeschoeide karmelietessen, staat dit weekeinde in het licht van Allerzielen. Aan het einde van de middag was er een viering van Allerzielen in de kapel, die uitliep op een lichtprocessie naar de graven van de zusters in de slottuin.
Voor de onvolprezen rubriek De Samenkomst in de LC had ik al eens die allerzielenviering beschreven en ik heb besloten om dit keer de studiemiddag met emeritus hoogleraar Jan den Boeft mee te maken. Hij sprak voor een select gezelschap over het mede door hem vertaalde traktaat van Augustinus’ ‘Wat kunnen wij voor de doden doen?’

Ik heb weer een paar dingen bijgeleerd. In het boekje behandelt de kerkvader (354-430), die van enorme invloed is geweest op de kerk, de vraag of overledenen per se naast geloofsmartelaren begraven moeten worden. Martelaren werden gezien als vanzelfsprekende heiligen, die linea recta naar het paradijs gaan.
Boeiende materie. Vooral omdat reeds in de vroege kerk al de gewoonte onder christenen bestond om voorbede voor de zielen van overledenen te doen. Dat is zinvol zolang het laatste oordeel niet is geweest. Augustinus bevestigt ook die praktijk. Ik heb altijd gedacht dat deze praktijk, waar de Reformatie mee afrekende, pas later in de kerkgeschiedenis is ontstaan.

En er was nog een tweede eyeopener. Augustinus moest weinig hebben van de wonderen die werden toegeschreven aan relikwieën, stoffelijke resten van heiligen. Wonderen, zo vond hij, waren slechts de startmotor van de kerk. Na de tijd van de ‘Handelingen der apostelen’ bestonden die niet meer, omdat ze niet meer nodig waren.
In de voetsporen van de grote kerkvader werd en wordt dit nagezegd in orthodox-protestantse kring. Maar nu vertelde Den Boeft iets wat ik nooit heb meegekregen, namelijk dat Augustinus die mening op later leeftijd heeft herzien. Dat blijkt uit Boek 22, hoofdstuk 8 van zijn ‘Civitate Dei’. Dat heb ik niet op de plank staan, maar ik geloof de hoogleraar onmiddellijk.

Augustinus is tot ander inzicht gekomen, zegt Den Boeft, doordat hij met eigen ogen zag wat voor wonderen werden bewerkstelligd door het gebeente van Stefanus, de oermartelaar (zie illustratie van Rembrandt). Boeiend, ook nu zie je onder aanvankelijk weigerachtige christenen hoe het geloof in wonderen door wat zich voor hun ogen voltrekt, uiteindelijk alsnog wordt omarmd.

woensdag 3 november 2010

Bajes

Vanmiddag was ik slechts op bezoek in De Marwei. In Leeuwarden weten ze dan direct waar het over gaat: de gevangenis. Daar hebben ze liever dat je spreekt van PI Leeuwarden, en die afkorting staat natuurlijk voor Penitentiaire Inrichting.
We zijn dol op eufemismen. Tbc in plaats van tering of suïcide in plaats van zelfmoord. In justitiële kringen is dat natuurlijk niet anders. Dus liever PI in plaats van gevangenis, en gedetineerden - of, ook een mooie die ik vanmiddag hoorde: bewoners - in plaats van gevangenen.

In de PI was de landelijke presentatie van het ‘Bajesbrevier’, een katholiek dagtekstenboek dat de zondagen volgt van het liturgisch jaar. Het moet de gedetineerden woorden geven voor de momenten dat ze op zichzelf teruggeworpen zijn, zonder dat ze zich groot moeten houden in de groep. Met hun vragen en hun twijfels.
Ik had het me even niet gerealiseerd, ik was met mijn hoofd bij andere dingen, maar op eens liep de tot kerkzaal omgebouwde sportruimte vol met de doelgroep. En wat direct opviel was dat er zoveel jonge mannen waren. En wat vrijwel daarna opviel was dat ze zich allemaal keurig en gedisciplineerd gedroegen.

Het werd een mooie viering. Met regelmatig momenten waarop volgens de liturgie ‘allen’ moesten antwoorden en moesten bidden: ‘Onze Vader…’ Een van de jongens deed ook de schriftlezing. En er werd gezongen. Niet alleen met begeleiding van het onvermijdelijke elektronische orgel, maar ook op gitaar, gespeeld door gedetineerden zelf. En een van hen zong, zeker niet onverdienstelijk, een paar keer solo. Onder meer de ‘Redemption Song’: ‘Won’t you help to sing - these songs of freedom?’ Achter mij hadden medegedetineerden louter waardering: ,,Knap hoor, je moet maar durven.’’

Geen idee wat die mannen en jongens allemaal op hun kerfstok hebben, maar petje af. En zeker ook voor de pastores en de vele vrijwilligers die de bajesdiensten mogelijk maken.